Meer kopen, meer besparen $35+ 15% korting$65+ 25% korting$85+ 30% korting$115+ 35% korting Automatisch bij het afrekenen
De Overlever ebook van Gina Azzi
Tik op een cover om te vergroten

De Overlever E-book

Boek 8 van 9: Boston Hawks Hockey · Formaat: E-book

Theodore Edward Sims had mijn hete zomeravontuur moeten zijn. Een wildvreemde met wie ik het bed deelde in Hawaï.
Nu is hij de nieuwe hockeyteamgenoot van mijn stiefbroer.
Toen we elkaar ontmoetten, was Theo een sexy surfer op Maui. Overdag pakte hij de golven, ’s nachts zette hij mijn wereld op z’n kop. Nadat mijn ex-verloofde me compleet voor gek had gezet, bleek Theo precies wat ik nodig had: pure afleiding, zonder verplichtingen.
Hij was verfrissend eerlijk, oprecht geïnteresseerd en belachelijk charmant. Theo trok me overeind op het moment dat mijn leven uit elkaar viel.
Maar uiteindelijk blijkt hij precies op mijn ex te lijken.
Een leugenaar.
Om te ontsnappen aan het geroddel rond mijn mislukte verloving vlucht ik naar Boston, waar ik noodgedwongen opnieuw met Theo wordt geconfronteerd. Of beter gezegd: met een andere versie van hem. Eddie Sims. Rechtervleugel bij de Boston Hawks.
Hier is hij geen goed verbonden, onweerstaanbare surfer, maar een gedreven, woedende hockeygod met iets te bewijzen.
Vooral aan mij.
Alleen heb ik hem al afgeschreven.
Eens een leugenaar, altijd een leugenaar.
Maar Theo geeft niet op. Integendeel, hij zet alles op alles om mijn vergeving terug te winnen.
Als ik hem nog één kans geef… maakt hij zijn excuses dan waar?
Of lieg ik vooral tegen mezelf?

E-book
$5.99
Direct geleverd. Ontvang een downloadlink per e-mail van BookFunnel.
Nu beschikbaar
Veilig afrekenen
VanGina Azzi, rechtstreeks Hulpshop@ginaazzi.comFormaatE-book, BookFunnel-app of je e-reader
Meer kopen, meer besparen
  • $35+15% korting
  • $65+25% korting
  • $85+30% korting
  • $115+35% korting
Automatisch bij het afrekenen

Vaak samen gekocht

De complete serie
Alle 10 boeken: $33.99 BESPAAR 45%
Los gekocht $58.90

Meer van Gina Azzi

De Puntenteller Ebook De Puntenteller Ebook
Gina Azzi
$5.99
De Beschermer Ebook De Beschermer Ebook
Gina Azzi
$5.99
De Charmeur Ebook De Charmeur Ebook
Gina Azzi
$4.99$7.99
De Waaghals Ebook De Waaghals Ebook
Gina Azzi
$5.99
De Verleider Ebook De Verleider Ebook
Gina Azzi
$5.99
De Regelmaker Ebook De Regelmaker Ebook
Gina Azzi
$5.99
De Pionier Ebook De Pionier Ebook
Gina Azzi
$5.99
De Nepperd Ebook De Nepperd Ebook
Gina Azzi
$5.99

Voordat je begint

De serie
Dit is boek 8 van Boston Hawks Hockey, 9 boeken in totaal. The complete series bundle saves the most.
Levering
Ontvang een downloadlink per e-mail van BookFunnel.
Lezen
Lees op elk apparaat in de BookFunnel-app — binnen een paar minuten kun je beginnen.

Exclusief voorproefje: De Overlever, Hoofdstuk 1

De Overlever
Proloog — Sofia

“Het ligt niet aan jou, het ligt aan mij,” zegt Don, terwijl hij mijn hand vasthoudt met de kracht van een slappe vaatdoek. Ik weet niet waarom dat detail me opvalt, maar het doet het. Het is eigenlijk belachelijk—hij kijkt me niet eens aan, hij serveert een van de meest afgezaagde break-upzinnen ooit—en toch… irriteert het me dat hij mijn vingers niet steviger vastpakt wanneer hij het zegt. Alsof zijn greep, of het gebrek daaraan, precies weerspiegelt wat voor niets-relatie dit blijkbaar altijd al is geweest.
“Don, we zouden over vijf maanden trouwen,” herinner ik hem, met een stem die veel te kalm is voor de klap die hij me uitdeelt. Mijn lichaam klapt dicht; een koude straal ongeloof glijdt langs mijn ruggengraat omlaag. In mijn buik liggen knopen als weefwerk—het soort dat mijn moeder urenlang breide terwijl ze aan mijn ziekenhuisbed zat. Mijn hart rammelt pijnlijk, slaat abrupt over en maakt dan een wilde sprong die me misselijk maakt.
Ik registreer mijn lichamelijke reacties, maar mijn hoofd loopt achter. Want wanneer ik opnieuw mijn mond open, floept er iets volkomen absurds uit. “Ik heb over zes weken een passessie voor mijn jurk.”
Dons gezicht vertrekt; in zijn ogen ligt een medelijden dat ik maar al te goed ken. Ik heb het jaren niet gezien—sinds ik op mijn twaalfde mijn kinderkanker overwon—maar ik zou het overal herkennen. Het nu op zijn gezicht zien, doet op de een of andere manier meer pijn dan het afblazen van onze bruiloft.
Hij heeft medelijden met me. Met mij. De overlever, de gelover in magie en wonderen, de vrouw zonder tijd te verspillen. Met mij—de vrouw met wie hij van plan was te trouwen tot… wanneer eigenlijk? Wat is er gebeurd?
Zijn reactie laat woede opborrelen, diep in mijn buik. Ga ik écht nog eens iemand anders mijn toekomstgeluk laten bepalen? De droom van een gezin uitwissen die ik in gedachten al aan het schilderen was? Hoe durft hij.
O, dit is goed. Woede snap ik. Die kan ik sturen. Ik leun er niet graag op, maar op dit moment voelt woede veiliger dan gevoelloosheid. Gezonder ook.
“Don, meen je dit nou serieus? Ik snap hier niets van.” Mijn stem schiet een paar octaven omhoog; aan het eind trilt hij. “Wat—wat is er tussen gisteren en vandaag gebeurd? Ik dacht dat we aan een toekomst bouwden. Aan een gezin!”
“Een gezin? Bedoel je… kinderen?” Hij kijkt verward, en dat jaagt mijn woede op tot razernij.
“Natuurlijk kinderen! We zouden trouwen. Waarom maak je er een eind aan?”
Don schudt zijn hoofd, laat mijn hand helemaal los en wrijft met zijn hand over zijn gezicht. “Sofia,” zucht hij, “toen we elkaar ontmoetten, zijn we—nou ja—te snel gegaan. We kennen elkaar nauwelijks.”
“We zijn al acht maanden verloofd!” schreeuw ik. Sommige meiden van mijn studentenvereniging deden er langer over om hun bruiloft te plannen; dit is mijn langste relatie ooit. Na twee maanden wist ik al dat ik met Don wilde trouwen. “Bijna een jaar, Don. Ik ben naar Maui verhuisd voor jou. Ik heb mijn studie opgegeven, mijn vrijwilligerswerk, mijn hele leven achtergelaten om jouw carrière hier te steunen, met het idee dat we samen een leven begonnen. Een ge-gezin.” Ik struikel over het woord en voel mijn hart knappen terwijl ik het uitspreek. Ik wil een gezin.
Eén fractie van een seconde heeft Don de fatsoenlijkheid om zich te schamen. Maar dan sluit hij zijn gezicht af en spoelt er een kilte over hem heen waarvan ik niet dacht dat hij daartoe in staat was. “Een gezin, Sofia? Wil je het over gezin hebben? Wanneer was je van plan me te vertellen dat je vader een ex-gevangene is, hè?”
Ik deins achteruit, alsof Don me zojuist een klap heeft verkocht. In zekere zin is het ook een knock-out, want… “Hoe weet jij dat?”
Hij wuift het weg. “Mijn ouders hebben een privédetective ingehuurd.”
“Je ouders? Een privédetective? Waarom?”
“Nou ja, nu we de waarheid over jou en je familie kennen, vind je dat dan geen verstandige zet?” redeneert hij.
De waarheid over jou. Over je familie.
Mijn hart knijpt pijnlijk samen; de lucht lijkt uit mijn longen te verdwijnen door wat hij suggereert. Niemand kent de waarheid. Niemand behalve ik, mam, pap en misschien—heel misschien—mijn stiefvader Mitch. Maar Don zeker niet.
En wat zegt het over mij dat ik die waarheid nooit met mijn verloofde heb gedeeld? Die gedachte steekt ook, diep. Wist ik ergens vanbinnen al dat Don het niet was? Andere signalen schieten door mijn hoofd: Don die ’s avonds laat telefoontjes aannam; die ene keer dat hij thuiskwam met de geur van Chanel Chance terwijl ik zweer bij Viktor&Rolf Flowerbomb; de manier waarop zijn moeder bleef treuzelen met ons bruiloftsmenu.
Zou een ‘normale’ verloofde hem daar niet op aangesproken hebben? Zou een liefdevolle, toegewijde verloofde hem niet het hele verhaal van haar verleden hebben verteld? Alle pijnlijke details, alle rauwe herinneringen?
Don zucht opnieuw, alsof het verbreken van onze verloving te veel van zijn kostbare tijd vergt. “Kijk, je weet hoe mijn familie is. We zijn hier—en in het land—een steunpilaar van de gemeenschap. Ik kan—wij kunnen—het soort negatieve publiciteit dat zo’n connectie zou opleveren niet riskeren.”
“Noem je ons huwelijk nu een ‘connectie’? Wie heeft deze breukspeech geschreven—je moeder?”
Don grijpt naar zijn nek. Ik rol met mijn ogen.
“Prima, Don. Goed dan. Je hebt mijn grote, enge geheim ontdekt. Mijn vader heeft in de gevangenis gezeten.”
“Voor fraude!” Hij wijst naar me, alsof dat alles verklaart.
“Juist,” zeg ik, zonder erop in te gaan. “En in plaats van mij iets te vragen—over wat dan ook—besluiten jij en je familie dat onze verloving voorbij is. Is dat het?”
Weer kijkt hij weg. Hij knikt. Een lafaard. Wie laat zijn ouders bepalen met wie hij trouwt?
“Oké,” zeg ik terwijl ik opsta. “Nou, dan—”
“Ze ontslaan je niet of zo. Ik bedoel, ze willen best schikken, je een pakket en een aanbeveling geven, maar wel ná de Felton-Lawrence-bruiloft, oké? Ze willen heel graag dat je tot na de bruiloft blijft. Heather Felton heeft je persoonlijk gevraagd.”
Wauw. Ik ben serieus geneigd mijn schoen uit te trekken en hem ermee te slaan. Hoe heb ik ooit kunnen denken dat ik met Don kon trouwen? Erger nog: dat ik bij hem hoorde en met hem een gezin kon opbouwen?
Ik knijp mijn ogen samen, alsof ik hem voor het eerst zie.
Op dit moment, na dit gesprek, zie ik niet de knappe, charismatische, charmante man op wie ik verliefd werd. Ik herinner me niet hoe zijn ogen glansden toen hij me ten huwelijk vroeg of hoe zijn armen me opvingen toen ik erin sprong.
In plaats daarvan zie ik een gladde, zelfgenoegzame, verwende man-baby die nog steeds naar zijn ouders kijkt om zijn leven te sturen. Om zijn beslissingen te nemen. Om hem te vertellen wat hij moet kiezen.
Voor iemand die bijna de kans is ontnomen om überhaupt keuzes te maken, voelt dat als de ultieme verspilling. Een leven dat slecht—en onbewust—wordt geleefd.
Misselijkheid welt op achter mijn tong en hoewel ik gekwetst ben, voel ik ook opluchting. Dat laatste analyseer ik liever niet te diep. In plaats daarvan rol ik mijn schouders naar achteren en kijk mijn ex-verloofde recht aan.
“Je hebt gelijk. Misschien zijn we hier te snel ingestapt.”
Verrassing laat zijn ogen oplichten, waarna ze zich vernauwen—gekwetst. Welkom bij de club, vriend.
Ik schraap mijn keel. “Maar dat zal niet nodig zijn. Beschouw dit als mijn opzegging. Ik blijf nog één maand, tot aan de bruiloft. Niet voor jou of je ouders. Ik blijf voor Heather en Preston. Omdat ik hen mag. Omdat zij iets echts en betekenisvols hebben—iets wat wij duidelijk niet hadden. De dag na hun bruiloft ben ik weg en blijft de smetteloze reputatie van de Servino’s en Lely Privé Resort volledig onaangetast door enige connectie met Sofia Carpenter.”
Don blaast hoorbaar uit, alsof ik dramatisch doe. Tja, misschien wel. Maar ik ben gekwetst. Teleurgesteld. In hem, en in mezelf. In ons.
“Ik wil voor de komende maand naar mijn eigen villa worden verplaatst.”
Hij staart me met open mond aan.
“En neem geen contact met me op, tenzij het werkgerelateerd is. Wij zijn officieel klaar. Over en uit. Ik wens je het beste—nou ja, niet echt, maar ik probeer beleefd te blijven,” snauw ik.
Zijn ogen worden nog groter.
“Ik ga nu mijn spullen pakken. Stuur me een bericht wanneer mijn villa klaar is.” Ik draai me om om de privésuite van zijn ouders te verlaten—een ruimte die sterk lijkt op wat ze ons als huwelijkscadeau zouden geven. Dat gaat dus mooi niet door.
“Wacht.” Don springt overeind. “Is dit het? Ga je niet—ik weet niet—huilen?”
Ik trek een wenkbrauw op. “Om jou? Nee, Don. Ik heb het diepste dal overleefd. Dat jij me dumpt zonder zelfs maar de waarheid te kennen, laat zien dat ik een kogel heb ontweken. Ja, ik ben gekwetst. Ja, ik ben boos. Maar ik ben niet gebroken.” Met een bittere grijns pak ik mijn tas. “Mannen zoals jij breken vrouwen zoals ik niet.”
Ik loop terug naar de suite die ik met Don deel in het mooiste, meest betoverende privéresort op Maui. Acht maanden geleden ben ik hierheen verhuisd om Don te steunen toen zijn ouders hem benoemden tot general manager van het resort. Ze gaven mij een baan in het eventplanningteam. Het is een razendsnelle wereld—operations—but omdat ik regelmatig gala’s en benefieten organiseer voor het ziekenhuis of de gevangenis, paste ik me snel aan.
En ik hield ervan om de ware schoonheid van Hawaï te ervaren.
Ik genoot van de magische zonsondergangen, die de lucht kleurden in vurige tinten oranje en goud. Ik raakte betoverd door het rijke onderwaterleven. Ik leefde een droomleven—en ik mag dat nog een maand doen. Zonder Don.
Ik stap de suite binnen en ga recht op mijn kast af. Ik trek een arm vol kleding van de hangers en prop alles zonder nadenken in een koffer. Mijn schoenen gooi ik erbovenop. Terwijl ik mijn bikini’s inpakt, spoelt de eerste golf verdriet over me heen. Die wordt tien keer zo sterk wanneer ik achterin mijn kast de witte kledinghoes zie hangen.
Mijn trouwjurk.
Het was de eerste die ik paste en op het moment dat het zachte chiffon langs mijn voeten streek, wist ik het. Dit was de jurk. Ik kocht hem meteen en heb hem sindsdien—bijna acht maanden—hier laten hangen. Ik trek de hoes naar voren, rits hem open en staar naar de jurk waarin ik me mooi voelde. Heel.
Ik zucht. Heel—voor de verkeerde man.
Ik rits de hoes dicht en vouw hem netjes bovenop mijn koffer. Ik voel me een idioot. Op een bepaald niveau geloofde ik echt dat Don de ware was. Ik nam hem mee naar het afscheidsfeest van mam en Mitch voordat ze op wereldcruise gingen. Ik nam hem mee naar een paar hockeywedstrijden van mijn stiefbroer Jesse in San Antonio.
En misschien wel het pijnlijkst van alles: ik heb pap over hem verteld. Ik heb Don in mijn leven toegelaten en oprecht geloofd dat hij daar zou blijven. Voor altijd. Als vaste waarde.
Achteraf is het bijna lachwekkend. Ik ben te goedgelovig geworden. Heeft mijn verleden me dan niets geleerd? Niets duurt voor eeuwig. We krijgen alleen momenten—sommige langer dan andere—en deze is abrupt geëindigd.
Ik rits mijn koffer dicht en klap mijn laptop open. In de zoekbalk typ ik een vlucht naar San Antonio, de dag na de bruiloft van Felton en Lawrence. Terwijl de pagina laadt, schenk ik mezelf een shot vodka in en gooi het achterover. De brandende warmte trekt naar mijn maag. Opluchting volgt wanneer ik een vlucht voor die middag zie.
Ik boek hem, pak mijn telefoon en loop naar het raam. Mijn blik blijft hangen op zee, op de krullende golven. De oceaan werkt helend voor me—een plek die mijn stemmingen weerspiegelt. Rustig en kalm, eigenwijs en fel. Soms een speeltuin, soms een storm, maar beide versies stellen me gerust. Het is een band die ik lang geleden heb gevormd, toen ik een kaal meisje was dat behandelingen onderging in het Cedars-Sinai Medical Center in L.A. We waren daar een paar maanden en op een dag nam pap me weg van de piepende monitors en infuusslangen, naar Venice Beach. Die dag was de zee speels: ze spatte wit schuim over ons uit en trok zich terug om een schat aan schelpen achter te laten. Mam en ik verzamelden ze, terwijl pap foto’s maakte. Die dag was ik geen ziek kind en waren mijn ouders niet uit elkaar. We waren gewoon een gezin. En het was perfect. Een hele middag lang was het perfect.
De maand erna verergerden mijn klachten en scheidden mam en pap officieel, maar mijn liefde voor die dag—voor de oceaan—bleef. Ik draai me van het raam af wanneer er druk in mijn onderrug opkomt. Met mijn hand masseer ik de plek. Bah. Nu al lichamelijke reacties op Dons verraad.
Mijn telefoon trilt en ik schrik.
Don: Villa 34.
De druk zakt weg en ik grijns. Die villa voelt als een kleine overwinning. Natuurlijk heb ik geen villa nodig; een kleine kamer zou ook volstaan. Maar Dons afwijzing—en de manier waarop hij over mijn vader sprak, terwijl hij niets weet, echt niets—deed pijn. Die villa vragen was een klein, kinderachtig wraakje. Maar nu hij geregeld is, smaakt het zoet.
Over een maand versmelten twee van de meest prominente families van Amerika door het huwelijk van Preston Lawrence en Heather Felton.
In de acht maanden dat ik hier werk, heeft het resort veel bruiloften gehost, maar deze is veruit de grootste, de meest extravagante en—op een bepaalde manier—de meest oprechte. Hun families zijn invloedrijk en leggen serieus geld neer voor het societyhuwelijk van het seizoen, maar Preston en Heather zijn sinds onze eerste ontmoeting in maart ongelooflijk warm en oprecht. Heather stuurde me vorige week zelfs een boeket voor mijn verjaardag.
Zij zijn de enige reden dat ik ben gebleven.
Ik heb aan den lijve ondervonden hoe wreed, eenzaam en leeg de wereld kan zijn. Vooral door mijn ziekte, maar ook door paps tijd in de gevangenis. Ironisch genoeg boden juist het ziekenhuis en de gevangenis glimpsen van echte liefde, oprechtheid en toewijding. Het soort dat Preston en Heather belichamen.
Het kan me niet schelen dat deze bruiloft fantastische publiciteit oplevert voor de familie Servino. Het maakt me ook niet uit dat de namen Lawrence en Felton nieuwe high-profile klanten zullen aantrekken. Het enige wat telt, is dat Heather míj heeft gevraagd—en ik wil haar niet teleurstellen. Dons afwijzing en de kilte van zijn ouders doen pijn, maar Heathers steun verzacht iets van die pijn.
Maanden geleden bonden we over mijn vrijwilligerswerk in het ziekenhuis. Ze vloog zelfs in voor een evenement in Michigan en ja, ze doneerde een fors bedrag, maar belangrijker: ze nam de tijd om te praten en te luisteren naar de patiënten en overlevenden. Ze is een van die lichtpunten waaraan ik me kan vasthouden nu deze overgang mijn toekomst onzeker maakt.
Een verstandige vrouw in mijn positie zou bidden om richting. Of helderheid.
Ik verzamel de rest van mijn spullen en zet ze bij de voordeur.
Ik ben nooit zo verstandig geweest. Dus zet ik in op koude champagne en uitzicht op zee in Villa 34.



 
Hoofdstuk 1: Theo
Ik ben in het paradijs. De zon op mijn huid, de oceaan die rond mijn benen kolkt, het board onder mijn lijf—het werkt kalmerend. Ontspannend.
Meer dan ik verdien na het afgelopen jaar, maar op dit moment ben ik vooral dankbaar dat mijn broer en Heather hier zijn getrouwd, op Maui. Ze wilden iets intiems, iets zonder mediacircus. Een opluchting.
Voor mijn carrière—als ijshockeyer bij de NHL-ploeg Boston Hawks—ben ik Eddie Sims. Maar hier, deze week, met mijn familie, ben ik weer Theo: de charmante, vaak wat afstandelijke, tweede zoon van het Amerikaanse powerkoppel Lance en Margaret Lawrence. Media-aandacht zou niet alleen Prestons bruiloft overschaduwen, maar mij ook in een schijnwerper duwen waar ik al jaren voor wegduik. Al vroeg leerde ik dat mijn achternaam aandacht trekt, en zelden de goede soort. Daarom ga ik professioneel door het leven als Eddie—afgeleid van mijn tweede naam Edward—Sims, de meisjesnaam van mijn moeder. Het is deels om mijn ouders en hun werk te beschermen, deels uit eigen trots. Ik wil beoordeeld worden op wat ik op het ijs laat zien, op mijn eigen verdiensten, niet omdat ik toevallig bij een bekende Amerikaanse familie hoor.
Ik pak een golf en rijd hem moeiteloos uit. Vlak voor het strand laat ik me bewust in het lonkende water vallen en laat de zee over me heen rollen. Het voelt bijna therapeutisch, zo’n week in dit weelderige resort, quality time met mam en papa, en het vieren van Preston en Heather. Mijn familie snapt niet helemaal waarom ik me professioneel van hen heb losgemaakt, maar ze steunen me genoeg om me in stilte toe te juichen en mijn wens te respecteren om me niet publiekelijk te claimen.
Bovendien heb ik het vorig seizoen zelf al spectaculair genoeg verknald. In mijn eentje kostte ik het team de play-offs—een kans op de beker—en met dat schuldgevoel moet ik leven.
“Shit,” vloek ik, terwijl ik mijn hoofd onder water duw. Waarom haal ik dit nu weer op? Het is voorbij; ik kan het niet terugdraaien. Het enige wat ik kan doen, is vooruitkijken, harder werken, dit seizoen beter zijn. Ik begin nu als rechtervleugel bij de Hawks en ik ben vastbesloten alles wat ik heb—elke vezel, elke druppel energie—te geven om het goed te doen.
Maar eerst vier ik de verbintenis van mijn broer en Heather.
Met de zee om me heen kijk ik terug naar de rij prachtige hotelvilla’s die mijn ouders voor de week hebben gehuurd. De gastenlijst is klein, maar onze familie heeft groots uitgepakt. Tijd om weer in de feeststemming te komen; Preston en Heather verdienen dat. Als getuige is het aan mij om er te staan, net zoals mijn broer er altijd voor mij is geweest.
Ik ga nog eens onder water, laat de mislukkingen van vorig seizoen van me afspoelen en zoek de juiste mindset voor de festiviteiten van vanavond.
Als ik weer bovenkom, schud ik het water uit mijn haar en draai me weg van de villa’s. Dan valt mijn blik op iets adembenemends.
Een vrouw. Een prachtige vrouw. Lang en rank, zongebruinde huid, een witte bikini waarvan de strikjes bijna smeken om losgetrokken te worden. Haar haar is nat en plakt tegen haar schouders. Haar gezicht staat open, omhoog gekeerd naar een strakblauwe hemel zonder wolken.
Waar heeft zij zich in vredesnaam verstopt? Ik ben hier al vijf dagen en heb als getuige met elke aanwezige gast gesproken. Als ik haar had ontmoet, zou ik haar herinneren.
Iets aan haar grijpt me vast en ik kan mijn blik niet losmaken. Niet alleen omdat ze bloedmooi is—wat ze absoluut is—maar om iets anders.
Ik kijk een tijdlang naar haar, dankbaar dat ze niet merkt dat ik staar. Met haar vingertoppen trekt ze lijnen door het water en ze grijnst wanneer de rimpels zich verspreiden. Eén keer draait ze rond en laat zich dan achterover in zee vallen, zoals een crowdsurfer die zich met vertrouwen en hoop—en een randje roekeloosheid—in een zee van opgestoken armen stort.
Wanneer ze weer bovenkomt, draait ze haar haar uit. Op het strand zwaait iemand met een sjaal om haar aandacht te trekken. Ik zie hoe haar schouders verstijven. Ze aarzelt, steekt dan haar hand op ter herkenning, en een flits van pijn—een kort, fel moment—schiet over haar gezicht. Ik frons en probeer te begrijpen waar het vandaan komt, maar ze zwemt al weg, bereikt de kust en loopt richting de villa’s. De zwaai van haar heupen schudt waterdruppels los, en ik pak de achterkant van mijn nek vast terwijl ik probeer haar te plaatsen.
Ze is ongelooflijk sexy. Maar het is iets anders dat me vasthoudt, dat mijn nieuwsgierigheid prikkelt. De zwaarte in haar pas. De afstandelijkheid in haar blik. De teleurstelling omdat ze werd onderbroken terwijl ze gewoon even van een moment voor zichzelf wilde genieten. Het verlangen om ongezien te blijven—anders had ze wel aan de andere kant van het resort gezwommen, tussen de mensen die koste wat kost gezien willen worden.
Ze is een vreemde eend in dit paradijs vol schoonheid, gelach en opwinding. Iets aan haar melancholie, haar echtheid, trekt me naar haar toe. Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden tot ze in een van de villa’s verdwijnt.
***
“Dank je dat je dit doet, Theo.” Mijn broer legt zijn hand op mijn schouder.
“Natuurlijk.” Voor Preston zou ik bijna alles doen. Niet alleen omdat hij mijn grote broer is en ik altijd tegen hem heb opgekeken, maar ook omdat hij me onvoorwaardelijk steunde toen ik besloot mama’s meisjesnaam aan te nemen. Het kostte mijn ouders even om daaraan te wennen, maar Preston stond vanaf dag één pal achter me—zonder vragen, zonder aarzeling.
“Het betekent ook veel voor Heather,” voegt hij eraan toe.
Ik kijk naar mijn aanstaande schoonzus en glimlach. Heather Felton is al sinds mijn eerste jaar op de middelbare school een vast onderdeel van mijn leven. Zij en Preston werden razendsnel en keihard verliefd, tot grote vreugde van beide families. Ze zijn echt voor elkaar gemaakt—ja, het klinkt cliché als de pest, maar het is ook zeldzaam. “Het betekent veel om erbij te mogen zijn.”
Preston knijpt nog even in mijn schouder en laat zijn hand zakken. Heather komt naar ons toe en hij trekt haar tegen zich aan.
Ik hef mijn Negroni. “Proost op het gelukkige paar.”
“Dank je, Eddie.” Heather straalt. “Ik kan niet wachten om met je te trouwen,” zegt ze tegen mijn broer.
“Ik ook, lief.” Hij kust haar op haar neus.
En… dat is mijn teken. Ik drink mijn glas leeg en loop richting de bar. “Mag ik er nog eentje?”
De barman maakt soepel een nieuwe Negroni en zet die voor me neer op een onderzetter van fijngemalen schelpen. Ik kan me nauwelijks voorstellen hoeveel tijd Heather in de aankleding van deze week heeft gestoken, maar ik weet zeker dat elk minuscuul detail haar goedkeuring heeft gehad.
Ik draai me om en leun met mijn rug tegen de rand van de bar. Terwijl ik een slok neem, laat ik mijn blik door de ruimte glijden. Prachtige jurken in allerlei texturen en kleuren, indrukwekkende horloges om polsen, verblindende diamanten en—wacht.
Ik knijp mijn ogen samen en focus op haar. De vrouw uit de zee, die ogenschijnlijk opgaat in een bloemenarrangement dat doet denken aan Monets tuin in Giverny. Maar hoe kan zo’n elegante, natuurlijke schoonheid ooit opgaan in een evenement als dit?
Ik duw me van de bar af en loop naar haar toe. Ze merkt me niet op, wat me de kans geeft haar rustig te bekijken. Donker haar dat eigenwijs in golven langs haar rug valt en om haar schouders hangt. Zongebruinde huid, met een vleugje roze op haar wangen en het puntje van haar neus. Sproeten sieren de boog van haar neus en haar jukbeenderen. Ze laten me glimlachen—ik durf mijn tekengeld erop te verwedden dat elke andere vrouw hier alles uit de kast heeft gehaald om haar sproeten te verbergen. Deze vrouw niet. Ze omarmt haar natuurlijke uitstraling. Sterker nog, afgezien van een veeg mascara draagt ze volgens mij nauwelijks make-up.
Ik ben nog maar een paar passen van haar verwijderd en mijn blik zakt verder. Jezus. Haar lichaam is op de een of andere manier nóg sexyer in deze eenvoudige, nauwsluitende zwarte jurk dan in die witte bikini. Smalle bandjes lopen over haar schouders en laten haar strakke, gebruinde huid zien. De stof volgt haar rondingen: slanke taille, volle heupen, lange benen. De zoom eindigt net onder haar knieën.
Ze kijkt op als ik dichterbij kom en bevriest. Haar mond vormt een verbaasde “O”. Ik trek mijn wenkbrauwen samen en vraag me af of ze die blik ook heeft bij een heel ander soort O.
Haal je hoofd uit de goot, man.
“Wat doe jij hier?” vraag ik. Shit. Niet bepaald hoe ik dit gesprek wilde beginnen. “Ik bedoel—wie ben jij?”
Een flits van paniek schiet door haar ogen, maar dan sluit ze ze even. Ze rolt haar schouders naar achteren, gaat rechtop staan—haar indrukwekkende boezem vooruit—en kijkt me aan met een koele blik. Die blik fascineert me net zozeer als haar eerdere onzekerheid. Vragen buitelen door mijn hoofd en ineens wil ik alles van haar weten, terwijl het me normaal gesproken geen reet interesseert of ik de naam van een vrouw onthoud voordat ik met haar in bed beland.
Maar daar gaat het nu niet om, toch?
“Mijn naam is Sofia,” zegt ze, alsof dat alles verklaart.
“Theo.” Ik steek mijn hand uit.
Ze aarzelt even voordat ze haar hand in de mijne legt. Ik houd haar hand langer vast dan nodig is, simpelweg omdat ik haar niet wil loslaten.
Ik grijns. “Heb je het naar je zin?”
“Gaat wel,” zegt ze op haar hoede.
Ik schiet in de lach en een deel van de spanning verdwijnt uit haar gezicht. Ze lacht terug en mijn lach stokt, omdat haar glimlach zo verdomd… echt is. Het raakt me vol in het gezicht, die vanzelfsprekendheid waarmee ze hem schenkt.
“Ik zag je eerder vandaag,” geef ik toe, zonder creepy te willen klinken. Klink ik nu creepy? “In de zee.”
“O ja?” Een ondeugende glimlach verschijnt. “Ik heb jou deze week ook gezien. Je surft geweldig.”
Ik knik dankbaar en gebaar naar een voorbijlopende serveerster. Ik grijp een champagneflûte en geef die aan haar.
Ze neemt het glas voorzichtig aan, alsof ze bang is de steel te breken. “Dank je.”
“Houd je van champagne?” Ik heb nog nooit een vrouw ontmoet die dat niet doet, maar Sofia oogt ongewoon nerveus.
Ze haalt haar schouders op en neemt een klein slokje. “Vanavond lust ik eigenlijk alles. Maar ik zou hier niet moeten drinken.”
Ik leg mijn hand in het midden van haar rug en leid haar weg van de bloemenexplosie, naar een hoge tafel waar het geluid van de oceaan het geroezemoes van de gasten overstemt.
“Waarom niet?” vraag ik.
Ze zucht en bijt op haar lip. Ze mompelt iets onverstaanbaars en ik buig me iets naar haar toe om het op te vangen. Volgens mij zei ze: “Ach, laat ook maar.” Dat bezorgt me opnieuw een glimlach.
“Dit is mijn laatste bruiloft.” Ze trekt haar neus op en neemt nog een slok champagne. “Ik werkte hier, maar een maand geleden ben ik ontslagen. Nou ja, min of meer gedwongen om op te stappen—alleen vroegen ze me te blijven tot dit weekend. Morgen is de bruiloft, dus…”
Verbazing spoelt door me heen. “Je werkt hier?”
Ze kantelt haar hoofd. “Nog twintig uur. Ik ben eigenlijk al zo goed als vrij, maar… er was iets met de bloemen.” Ze gebaart naar de enorme bloemenwand.
Ik bekijk hem opnieuw. “Hij ziet er perfect uit.”
“Dat is een opluchting,” lacht ze. “Het is nu opgelost.” Haar blik blijft even hangen bij Preston en Heather. “Ze zijn een prachtig stel. Het liefste, meest nuchtere koppel dat ik hier heb meegemaakt.”
Ik volg haar blik en zie hoe Preston een plukje van Heathers haar om zijn vinger draait en zich naar haar toe buigt voor een kus. Ze zijn zo zichtbaar verliefd; ze delen diezelfde gloed, een vanzelfsprekende eenheid die niet elk stel heeft. “Ze zijn geweldig,” zeg ik. Ik heb het idee van zo’n gloed met een vrouw al heel lang geleden opgegeven. Mijn broer en Heather zijn de uitzondering, niet de regel. “Hoe ken je ze?”
“Ik heb deze soirée helpen plannen,” legt ze uit, terwijl ze haar arm spreidt om het weelderige feest met al zijn doordachte details te omvatten.
“Het is prachtig,” zeg ik oprecht, onder de indruk. “Vooral de bloemen.”
Ze grinnikt—precies zoals ik hoopte—en ik word opnieuw overvallen door haar schoonheid. Ja, ze is adembenemend, maar als ze lacht, sprankelt ze. Verbluffend. Verheven tot iets bijna etherisch. Als een godin. Of een zeemeermin. Wat bazel ik—dat klinkt echt creepy. Een zeemeermin?
“Wat vervelend van je baan. Als jij dit hebt neergezet, dan is het hun verlies. Je bent ongelooflijk getalenteerd.” Ik neem een slok van mijn Negroni.
Ze bloost licht en laat haar hoofd zakken. Haar lichaam komt iets naar voren terwijl ze haar schouders ophaalt. “Dank je. Zo gaat dat soms. Er zijn altijd andere banen, toch?”
Ik laat de Campari over mijn tong rollen en denk na over haar woorden. Het is een vreemde opmerking, want de meeste mensen houden óf te veel van hun werk om iets anders te overwegen—zoals ik. Of Preston. Óf ze zitten zo vast in hun baan en de levensstijl die die biedt, dat alles daarbuiten beangstigend lijkt. Onbereikbaar.
Maar dit meisje, Sofia, lijkt opmerkelijk oké met het verlies van haar fijne baan in dit wereldberoemde resort. “Vond je het hier niet leuk?” vraag ik door.
Ze rimpelt haar neus. “Eerlijk?”
“Wat?” lach ik, verrast.
“Ik bedoel, wil je dat ik eerlijk ben?”
“Eh, ja…” Willen de meeste mensen niet een eerlijk antwoord? Ik denk er een seconde over na en besef dan dat—de meesten willen het antwoord dat ze verwachten. Ik leun iets dichter naar dit raadsel voor me en gebaar dat ze verder mag gaan.
“Ik vond het leuk om hier te werken. Zeker met stellen als Preston en Heather—al zijn zij next level. Echt couple-goals.”
“Eens.”
“Team bruid of team bruidegom?”
“Allebei. Maar ik ben de getuige.”
“O, nice.” Ze grijnst, alsof dat haar oprecht enthousiast maakt. “Nu zie ik de gelijkenis. Ongelooflijk dat we elkaar niet eerder hebben ontmoet. Jij bent Prestons broer.”
“Schuldig,” grijns ik terug. “Dus mijn broer en Heather zijn je favoriete stel?”
“Ja. De meeste mensen irriteerden me.”
Ik schiet opnieuw in de lach, overvallen. “Waarom?”
“Ach. Te pretentieus, te veel bezig met zichzelf en de kleine wereldjes in hun hoofd om de schoonheid van zo’n plek echt te zien. Niet de service of de voorzieningen, maar de overweldigende, natuurlijke schoonheid van Maui.”
Terwijl ze praat, kijk ik weer naar zee—de golven die zich krullen, het schuim dat opspat. Dan kijk ik terug naar Sofia. “Je hebt gelijk.”
Ze haalt haar rechterschouder een fractie op en laat hem weer zakken. “Dat weet ik.”
Ik trek een scheve glimlach; ik mag haar steeds meer. “Je bent verfrissend eerlijk.”
“Dank je,” zegt ze oprecht. “Maar ik weet niet of je dat nog vindt als je de rest hoort.”
“De rest van…?”
“Mijn verhaal.”
“O. Nou, ga vooral door.” Ik laat mijn ellebogen op de tafel rusten en buig iets naar voren. Ze deinst niet terug, maar haar ogen lichten heel even op en het puntje van haar tong glijdt over haar onderlip. Het is duidelijk dat ik iets bij haar losmaak—en tegelijk ook dat ze gewoon zichzelf is. Dat dit delen niets met mij te maken heeft en alles met haar. Ze zou net zo open praten met Heather. Of Preston. Of met mam en papa.
Wacht. Ik knijp mijn ogen even samen. Is dit misschien waar het om gaat? Misschien zit ik ernaast. Ik ga al zo lang door het leven als Sims dat ik de aantrekkingskracht van de naam Lawrence ben vergeten. Sofia heeft mam en papa duidelijk ontmoet en weet van hun uitgebreide netwerk. Misschien serveert ze me een zielig verhaal om via mij een nieuwe baan te scoren.
Deze week heb ik genoten van het afstand nemen van het publieke imago van Eddie Sims, maar hier stap ik weer in de rol van Theo Lawrence—en die kent zijn eigen spelregels. Op Maui ben ik misschien niet de beruchte, wilde Hawk die de play-offs verprutste, maar ik ben wel de zoon van Lance en Margaret. En dat brengt, op zijn eigen manier, nog meer verwachtingen met zich mee.
“Ik vind evenementen plannen leuk, maar niet per se bruiloften. Mijn echte roeping is vrijwilligerswerk,” zegt Sofia, klaarblijkelijk op weg naar haar punt.
“Wat voor vrijwilligerswerk doe je?” vraag ik voorzichtig. Daar komt het—ze wil vast financiering voor haar volgende grote plan.
“Meestal organiseer ik evenementen in het ziekenhuis thuis in Michigan. Soms ook in de gevangenis.”
Hè? Mijn wenkbrauwen trekken samen terwijl ik haar aankijk, op zoek naar een teken dat ze een grap maakt. Nee. Ze meent het. Volledig. En verrassend genoeg vraagt ze nergens om, doet ze geen pitch—terwijl ze weet wie ik ben. Ik schraap mijn keel. “De gevangenis?”
“Ja. Ik hou van de bijlesprogramma’s om gedetineerden te helpen met hun GED of zelfs een universitaire opleiding. O, en de penvriendprogramma’s.” Ze maakt een cirkel met haar duim en wijsvinger en geeft me een enthousiast ‘oké’-teken, inclusief een goedkeurend klakje met haar tong. “Gewoon dingen die me vervullen, snap je?”
“Ziekenhuizen en gevangenissen,” herhaal ik, me afvragend of ze me in de maling neemt. “Wat hebben die twee met elkaar gemeen?”
“Mensen die steun nodig hebben.” Ze zegt het alsof ik het niet begrijp.
“Hm,” zeg ik langzaam, terwijl het kwartje valt. Misschien ben ik inderdaad wat traag. “En toch ben je helemaal naar Maui gekomen om dit feest te plannen.”
Ze zucht; verdriet spoelt over haar gezicht. “Ik kwam voor mijn verloofde.”
Ik deins achteruit, alsof ik een klap krijg. Mijn blik schiet de ruimte door, op zoek naar de kerel die elk moment kan opduiken om me weg te sturen, maar niemand let op ons. Behalve Heather, die er zelfs nóg enthousiaster uitziet dan een uur geleden. “Je verloofde?”
“Ex-verloofde,” corrigeert ze, en opluchting stroomt door mijn lijf. Na alles wat er vorig seizoen is gebeurd, ben ik klaar met drama. Klaar met domme keuzes die gevolgen hebben—gevolgen die niet alleen op mij terugslaan, maar op het hele team. “We… nou ja, hij heeft onze bruiloft een maand geleden afgeblazen. Daarom ben ik gestopt, of ontslagen, wat het ook was. Zijn ouders zijn de eigenaren van het resort.”
Ik knijp mijn ogen samen en zie hoe haar blik troebel wordt. Shit, ze is een beetje aangeschoten. Van de champagne? Of… “Heb je gedronken?”
Ze krijgt de hik en steekt opnieuw haar hand op. Dit keer houdt ze haar duim en wijsvinger een centimeter uit elkaar. “Een beetje. Maar ssst—verklap me niet, want… die bloemen zijn echt next level.”
“Dat zijn ze,” zeg ik zacht, terwijl mijn hart naar haar uitgaat. Een paar maanden geleden had ik haar weggewuifd. Eddie Sims van vorig seizoen had geen geduld voor aangeschoten vrouwen die bleven hangen in hun exen. Maar sinds ik deze zomer thuis ben geweest, tijd heb doorgebracht met mijn familie en mijn prioriteiten heb herzien, ben ik weer wat meer de Theo Lawrence van vroeger geworden. De jongen die zijn hart op zijn mouw droeg—tot het verbrijzeld werd. Die jongen kan zich heel goed in Sofia verplaatsen. “Het spijt me van je verloving.”
“Dank je.”
“Maar Don Servino lijkt me een enorme eikel,” voeg ik eraan toe. Zijn ouders zijn oké, maar hij is overdreven opzichtig. Die hele familie had dollartekens in hun ogen toen ze met mijn ouders over de bruiloft spraken—maar Don voelde glibberig. Hoe heeft zo’n gast een vrouw aan de haak geslagen die vrijwilligerswerk doet in ziekenhuizen en gevangenissen? En ook nog verstand heeft van exotische flora?
Sofia lacht en schudt haar hoofd. Maar ik zie de tranen die zich verzamelen in haar ooghoeken. “Iedereen had dat al veel eerder door dan ik.”
“Hé.” Ik schuif mijn hand over de tafel tot die haar pols raakt. “Ik ken je nog geen dertig minuten, maar ik beloof je: je bent beter af zonder hem.”
“Hoe weet je dat?” fluistert ze, nieuwsgierigheid in haar blik.
“Omdat elke vrouw die van vrijwilligerswerk houdt, die geeft om GED’s voor gedetineerden, en die weken na het verliezen van haar eigen ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ alsnog oprecht de liefde van twee anderen kan vieren, een eenhoorn is. En Don Servino verdient de meeste vrouwen al niet—laat staan een eenhoorn.” Vanbinnen kreun ik. Een eenhoorn. Serieus?
Haar gezicht ontspant en ze schenkt me een glimlach. Een echte, die haar laat stralen—net als Heather. Eén die me vertelt dat ‘eenhoorn’ blijkbaar precies raak was. “Dank je, Theo. Het is een beetje bitterzoet, mijn laatste bruiloft. En dan ook nog die van mijn favoriete stel. Maar dit is het liefste wat iemand vanavond tegen me heeft gezegd. En ik ben blij dat jij het was.”
“Ik ook,” zeg ik, verrast door haar openheid.
“Mag ik je een geheim vertellen?”
Ik trek mijn wenkbrauwen op. Nog meer?
“Dit is mijn laatste nacht hier en…”
“En?”
“Ik wil iets leuks doen. Iets wilds. Misschien een tikje roekeloos. Ik heb te hard geprobeerd de vrouw te zijn die Don van me verwachtte. Mijn eigen vleugels geknipt—hoe zielig dat ook klinkt om toe te geven. Vroeger was ik zo verdomd spontaan…”
Ik schud lachend mijn hoofd, knijp één keer in haar pols en laat los. “Nog één laatste knaller?”
“Zoiets. Morgen vlieg ik naar mijn broer in San Antonio, maar vanavond…” Ze laat haar stem wegsterven, haar blik op de oceaan. “Het is te mooi om te verspillen.”
“Veel te mooi,” beaam ik, terwijl ik haar recht aankijk. Ik heb nog nooit iemand als Sofia ontmoet. Ze is… betoverend. Op een manier waarvan ik niet weet of ik erin moet duiken of juist afstand moet houden. Ze is schaamteloos eerlijk en oprecht. Maar tegelijk lastig te doorgronden—alsof ze elk moment kan verdwijnen. Te vluchtig om vast te houden.
“Zullen we beginnen met een drankje?” vraag ik.
Ze grijnst en schudt haar lege flesje. “Graag. Die is leeg.”
“We weten allebei dat dat te verhelpen is. Kom.” We lopen terug naar de bar. “Kies maar.”
“Gaan we all-in?” Een glinstering van opwinding licht op in haar irissen.
“Wat denk je zelf?” vraag ik, terwijl ik meer geniet van haar gezelschap dan van surfen in zee.
Ze kijkt naar de barman. “Twee shots Beluga…” Ze tuurt langs hem naar de flessen. “Epicure. IJskoud.”
De barman knikt en ik fluit zacht. Zesduizend dollar per fles—deze meid gaat er vol in. En ik vind het fantastisch.
“Je speelt niet half, Sof,” plaag ik haar, terwijl ik haar naam inkort. Iets wat ik al tijden niet meer heb gedaan; normaal houd ik vrouwen liever op afstand. Maar haar oprechtheid trekt me naar haar toe, geeft me het gevoel dat ik haar al langer ken dan vanavond.
Ze glimlacht, maar haar ogen blijven serieus. “Nee. Niet meer. Ik leef voor de momenten.”
Ik schuif iets dichterbij tot mijn arm de hare raakt. “Ik ben blij dat ik je heb ontmoet.”
Ze grijnst, pakt de shotglaasjes en geeft er één aan mij. “Op echtheid.”
“Op de puurste vorm,” zeg ik, tik mijn glas tegen het hare en gooi de wodka achterover.
Hij is zacht en ijskoud, maar brandt een spoor tot diep in mijn maag.
Achter ons mengen doelloos geklets en uitbundig gelach zich met de fijne klanken van een harp. Maar hier, aan de bar, zijn het alleen Sofia en ik—en de onmiskenbare aantrekkingskracht van wat zou kunnen zijn.
Ze neemt haar shot zonder te knipperen en werpt me een scheve glimlach toe.
Ik glimlach terug.
In haar ogen flitst tegelijk een belofte en een waarschuwing. O ja—ze is trouble.
En vanavond ga ik daar verdomd hard van genieten.